Meten is presteren

Verantwoord op naar Tokyo!
28 januari 2019

Meten is presteren

Liefhebber, amateur of prof, iedere wielrenner wil het beste uit zichzelf halen, geloven de zorgprofessionals van het Cycle Performance Centre in Eindhoven. Dat willen ze namelijk zelf ook, in de behandelkamer én op de racefiets.

Aan de buitenzijde oogt het Sportmáx Cycle Performance Centre een tikje non-descript. Het aan het Máxima Medisch Centrum gelieerde sportmedisch centrum deelt de voordeur met een lokale Fitland-vestiging. In grote oranje letters belooft de sportschoolketen ‘real fitness, real results’.
De huisstijl van het CPC is bescheidener. Maar wie de behandelkamers of beter gezegd testruimtes binnen stapt ziet direct dat alles hier draait om prestatie en performance.  Meet- en proefapparatuur staan in verschillende configuraties opgesteld. Elk van de opstellingen is verbonden aan digitale interfaces. De muur van één van de kamers is opgesierd met een reusachtige panorama-foto van een levensechte kasseienstrook. “Dit is het bikefitting-lab”, legt sportarts Edwin Achterberg uit. “Omdat in het wielrennen zowel prestaties als blessures vaak samen hangen met de houding op de fiets, kunnen we die op allerlei manieren doormeten.”
Eén van de andere ruimtes wordt gedomineerd door een futuristisch ogende ruimtecapsule. Deze zogeheten BodPod kan inzicht geven in de verhouding tussen spieren en lichaamsvet, wat weer van belang kan zijn voor de kracht, explosiviteit en duurprestaties van een renner.  “Als twee renners hetzelfde vermogen trappen, maar een kilo in gewicht verschillen, scheelt dat op een col van tien kilometer tegen tien procent al snel een minuut”, rekent Achterberg  voor.
Het zijn blijkens de CPC-website niet de minsten die zich in Eindhoven periodiek laten doormeten. “Het is belangrijk om regelmatig getest te worden zodat ik inzicht heb en blijf houden in mijn gezondheid en fysieke capaciteit”, laat profrenner Koen de Kort weten. Ook wielermonument Marianne Vos laat zich een aantal keer per jaar testen “om inzicht te krijgen in de progressie”.

Achterberg is één van de artsen die in 2016 aan de wieg van het Cycle Performance Centre stond. “Ik werkte hier al bij SMC Sportmax, waar onder toezicht van sportcardioloog Jan Hoogsteen veel professionele wielrenners hun verplichte hartkeuringen deden. Door mijn achtergrond als amateurwielrenner weet ik dat medisch specialisten niet altijd weten wat sporters mogen of kunnen. Ik herinner me nog goed dat ik ooit met rugklachten bij een orthopeed kwam die zei: als je niet fietst heb je er ook geen last van, dus stop maar gewoon met fietsen. Dat is natuurlijk niet wat een menneke dat de Tour de France wil fietsen wil horen. Wat je zoekt zijn medisch specialisten die affiniteit hebben met het fietsen. Dat kan toch een heel ander behandelplan geven, waarbij gekeken wordt naar wat de sporter wel  kan, in plaats van wat niet. Dat is voor veel mensen een andere denkwijze dan ze gewend zijn. Dat vraagt kennis van het fietsen. Welke bewegingen kun je wel maken, welke niet en hoe neem je dat mee in de training. Dan is het toch handig om te weten hoe het is om vijf, zes uur op de fiets te zitten.”

Toen Achterberg verder keek bleek er in het Máxima MC een grote groep fietsende specialisten te zijn. “Zo is het CPC ontstaan. Nu hebben we een netwerk van zo’n 20 tot 30 medisch specialisten, bewegingswetenschappers en fysiotherapeuten, die allemaal zelf duursport of wielrennen beoefenen. Als je als sporter hier aanklopt weet je dat je geholpen wordt door een specialist met affiniteit en kennis van fietsen, en dat de lijnen kort zijn, zodat je niet van hot naar her hoeft.”

Een ander argument voor een gespecialiseerde kliniek ligt in het feit dat fietsen specifieke klachten mee kan brengen, die niet altijd herkenbaar zijn voor niet-gespecialiseerde behandelaars. “Een bekend voorbeeld is het ‘knikvat’ in de lies”, verduidelijkt Achterberg. “Door de voorovergebogen houding bij het fietsen kan de liesslagader net als een tuinslang doorknikken, waardoor de bloedtoevoer naar het been niet voldoende is om de spieren van zuurstof te voorzien. Daardoor krijg je krachtverlies in het betreffende been.”

“Maar het kan ook simpel gaan om knieklachten, voetklachten, of rug-, nek- en schouderklachten.  Als je een paar uur op de fiets zit met negentig omwentelingen per minuut dan liggen belastings-blessures op de loer. Zadelpijn is ook een bekende, waarbij we zadeldrukmetingen kunnen doen om te kijken of het aan de fiets ligt of aan het zadel. Als iemand knieklachten heeft, zijn artsen vaak geneigd om zich te richten op de knie, maar je moet ook even kijken naar het materiaal dat gebruikt wordt, want het kan ook liggen aan de afstelling van de schoenplaatjes of fiets.  Dan kun je wel de knie behandelen, maar daarmee neem je de oorzaak niet weg en zal de klacht weer terugkeren, dus wij proberen daarin verder te kijken.”

Naast behandeling doet het CPC ook het nodige aan preventie en prestatieverbetering. “Noem het een APK voor het menselijk lichaam waarbij we in kaart brengen of er verhoogde risico’s zijn bij het sporten”, zegt Achterberg. “We kijken ook naar wat jouw trainingszones zijn;  wat is voor jou de optimale hartslag of beste vermogen om je vetverbranding of snelheid te trainen? Dus enerzijds kijken we naar gezondheid, maar anderzijds ook naar prestatie.”

Met presteren op professioneel niveau heeft Achterberg jarenlange persoonlijke ervaring, zij het niet in de gedroomde hoedanigheid van profrenner. “Studeren ging me beter af dan wielrennen”, bekent Achterberg. “Ik heb bewegingswetenschappen gedaan en geneeskunde met als specialisatie sportgeneeskunde. In combinatie met mijn achtergrond in het wielrennen kon ik als ploegarts aan de slag bij professionele teams, waaronder Argos-Shimano, de voorganger van wat nu Sunweb is. Omdat ik uit mijn amateurtijd ook een ploegleiderslicentie had, mocht ik ook meehelpen met het verkennen van de laatste kilometers voor de sprint van Marcel Kittel. Dat was natuurlijk fantastisch.”

Ploegarts in een ploeg die meestrijdt om de prijzen in grote wielerspektakels, dat klinkt spannender dan sportarts in een Eindhovense kliniek. Meedraaien in de Tour was in zekere zin “een jongensdroom” , stelt Achterberg, maar het zigeunerbestaan in grote koersen kent ook een keerzijde. “Mensen thuis zetten om een uurtje of drie, vier de tv aan en als dan om vijf uur de finish is geweest gaan ze weer over tot de orde van de dag. Wat ze zich misschien niet realiseren is dat wij van ‘s morgens half zeven tot een uur of half twaalf ’s avonds in touw zijn. De dag begint met gezondheids- en dopingcontroles. Na het ontbijt doe je als arts een spreekuurrondje, waarbij je alle renners afgaat. Die kunnen allerlei kwaaltjes hebben van buikpijn, zadelpijn en keelpijn tot schaafwonden. Dan is het koffer inpakken en vertrek naar de start, wat vaak een eind rijden is. Gedurende de wedstrijd zelf zit je een uurtje of vijf in de auto. Dan kun je niet zomaar even in een dorpje uitstappen en rond kijken. Na de race heb je de dopingcontroles en acute dingen als er valpartijen geweest zijn. Dan weer een uur rijden naar het volgende hotel, waar je je koffer weer mag uitpakken en weer iedere renner langs gaat. Om tien uur  ‘s avonds zit je aan tafel en daarna mag je je bed inrollen. Dus dat zijn lange dagen, waarbij je vier weken van huis bent. Ik heb het tien jaar gedaan en had het nooit willen missen, maar in deze fase vind ik ook heel leuk om tijd voor mijn kinderen te hebben en mee te gaan naar hun sport. Er moet wel  balans in je leven blijven. Maar misschien dat het in de toekomst weer gaat kriebelen…”

Voor het grote publiek is de ploegarts vaak een onbekende, die hoogstens in beeld komt als hij met een busje pleisterspray uit de volgauto hangt om een gehavende coureur op te lappen. In dit beeld ligt misschien wel onbedoeld de beperking van het werk van de ploegarts opgesloten. Hoe ernstig een kwetsuur ogenschijnlijk is wielrenners lijken altijd meteen weer op te willen stappen. Tekenend in dit verband is de heftige klapper die de Belgische coureur Philippe Gilbert in de afgelopen editie in de Tour de France maakte. Hij reed de resterende vijftig kilometer uit met een naar later bleek gebroken knie. Moet een dokter niet eerder zeggen:  stoppen met fietsen?
“Met alle respect, ik snap dat mensen dat denken”, reageert Achterberg. “Maar hoe zie je dat die knieschijf gebroken is. Als arts heb je geen draagbaar röntgenapparaat om een renner even te kunnen scannen.  En je kunt wel zeggen: we nemen de tijd en zoeken het uit, maar de rest rijdt door… In de acute fase is het kijken of er ernstige dingen zijn waardoor het op dat moment onverantwoord is om door te rijden. Meestal is in zulk gevallen alleen ‘het behang eraf’, zoals wij dat noemen. Dus flinke schaafwonden. Die zijn ook vervelend met alle lakens die ’s nachts blijven plakken. Tijdens een Tour zie je dat die wonden eigenlijk ook niet goed dicht gaan, maar zodra die wedstrijden zijn afgelopen zijn ze zo dicht. Natuurlijk willen renners graag fietsen, maar uiteindelijk vinden ook zij dat hun gezondheid voor gaat. Ik heb wel meegemaakt dat een renner met een gebroken vinger toch wilde doorgaan in de Tour. Dan wordt bekeken of het medisch verantwoord is. Kunnen we het spalken? Waar het om gaat is natuurlijk dat hij moet kunnen remmen, het stuur vasthouden, de pijn moet te houden zijn en het moet niet ten koste gaan van de genezing.”

Toch zit daar een zekere ambivalentie, want de publieke waardering voor renners is niet zelden gestoeld op het vermogen om pijn te lijden en af te zien. Die heroïek is ook de amateur-fietser niet vreemd, moet Achterberg erkennen wanneer hem gevraagd wordt naar zijn eigen beweegredenen om te fietsen. “Het grenzen verleggen, de strijd met de elementen als je in de bergen een col bedwingt, het gevecht met jezelf en jezelf zo nietig voelen daar in zo’n omgeving, de snelheid die je hebt in de afdalingen, het kwetsbaar zijn en je toch onoverwinnelijk voelen”, somt Achterberg op. “Die combinatie van factoren maakt fietsen bijzonder. En het tactische spelletje is natuurlijk ook gaaf. Wat mensen wel eens vergeten is dat wielrennen echt een teamsport is. Het wordt bijvoorbeeld niet zomaar een massasprint. Die ene renner die wint, krijgt eigenlijk de beloning voor het werk dat zijn zeven of acht knechten hebben gedaan. Dat kan zo’n renner niet in zijn uppie. Die hele combinatie van tactiek, techniek en fysiek die er achter zit, dat is zo’n fantastisch mooi spelletje.”

Tekst by: Philip van de Poel (www.skipr.nl)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deel en like ons: